Vistrappen bij de stuw van Linne. Vissen kunnen zonder hulp niet voorbij de stuwen komen. Nogal wat vissoorten hebben tijdens hun levensloop verschillende wateren nodig om op te groeien of zich voort te planten. Ze migreren tussen zoet en zout water. De grote rivieren zoals de Maas vormen daarvoor hun hoofdroute. Dat geldt bijvoorbeeld voor zalm, aal en zeeforel. Ook trekken vissen heen en weer tussen de rivier en haar beken, op zoek naar voedsel of een geschikte plek om kuit te schieten. Vrije doorgang in het water is ook daarvoor noodzakelijk.